De Sakko-prijs voor Kunsten en Letteren 1991 is toegekend aan


1
2
3
4
5
1/5 
   
Jacques de Groot 

 

vanwege zijn uitzonderlijke creativiteit op het gebied van vertalen, herschrijven en regisseren van operettes en opera’s. Stoffige teksten heeft hij op subtiele wijze herschapen tot sprankelende eigentijdse libretto’s, vastgeroeste amateuristische toneelpresentatie heeft hij omgevormd tot charmant en levendig schouwspel van waarlijk professioneel niveau. Aldus is hij, door zijn bijzonder inventieve geest en zijn uiterst spirituele vocabulaire een uniek vertegenwoordiger van hoogwaardig artistiek niveau van het culturele gebeuren in onze goede stad en streek 

 

Bergen op Zoom, 9 november 1991 


Toespraak Jacques de Groot:  

Beste familie, vrienden van en belangstellenden voor de prijswinnaar, 

Er huist in onze streken veel talent. De jury dient omzichtig te werk te gaan om te zoeken naar diegene, die iets presteert op het gebied van Kunsten of Letteren, dat werkelijk uniek is in zijn soort.

Na meerdere bijeenkomsten worden uit ’n toch wel omvangrijk lijstje van potentiële kandidaten uiteindelijk enkele namen geselecteerd. Uitgebreide informatie volgt, waarna duidelijk wordt wie de voorkeur verdient.

Het valt me ieder jaar weer op dat, als ik me in het werk van de gekozene nog verder ga verdiepen, er zoveel voor de dag komt, dat veel te weinig bekend is.

De instelling van deze prijs geeft de gelukkige mogelijkheid de bijzondere verdienste en kwaliteit van iemand uit onze eigen stad en streek eens duidelijk in de openbaarheid te brengen. 

Aan de voorzitter van de jury, ter toekenning van de Sakkoprijs voor Kunsten en Letteren -dit jaar al de 11e- de keuze van de jury voor de prijs 1991 aan de regisseur en libretto vertaler en schrijver Jacques de Groot hier te motiveren.

Het grootste deel van Jacques werk ligt op het gebied van de operette, een kunstvorm die in Nederland eigenlijk ’n beetje ondergewaardeerd wordt.

Als we naar bijv. Duitsland en Oostenrijk kijken, zien we dat daar de grootste zangers en zangeressen het bepaald niet beneden hun waardigheid vinden, operette te zingen.

En, laten we eerlijk zijn, er zijn talrijke opera’s geschreven, die minder muzikale kwaliteit bezitten dan bijv. ‘n “Fledermaus” of ‘n “Zigeunerbaron”.

Het is de grote verdienste van Jacques dat hij door zijn werk de operette weer terug in de schijnwerpers heeft gezet, door zijn uitnemende regie, maar vooral door de teksten nieuw leven in te blazen door bijzondere knappe vertalingen en bewerkingen, ja zelfs door originele geheel nieuwe teksten te schrijven.

Hoe komt iemand daartoe ? Als we dat willen weten moeten we in Jacques verleden duiken.

Welnu, om bij het begin te beginnen: Jacques is geboren in 1937 en wel op

9 november. Overigens is vandaag ook de zoon van dir. Van de Boom jarig. Lang zullen ze leven in de gloria !

De schrijfaffiniteit van Jacques openbaarde zich reeds op 10-jarige leeftijd. Want in november 1947 schrijft hij een brief aan Maarten Toonder voor de rubriek “Brieven van Heer tot Heer” in het jeugdblad Tom Poes:

“Mijnheer Bommel, ik heb uw blaadje gekocht en dacht waarom zou ik niet schrijven ? Ik heb al zo dikwijls Tom Poes gelezen en ik zou graag willen weten, hoeveel boeken van Tom Poes er al uitgegeven zijn”. En, zoals het een heer betaamt, schrijft heer Bommel terug: “Ja, waarom zou je niet schrijven ? Tot op heden zijn er 13 boekjes verschenen en het einde is nog lang niet in zicht”.

De strips van Tom Poes inspireerden hem om er zelf te gaan maken. Zijn lezerskring bestond uit de dames-verkoopsters van de zaak van zijn ouders, Modehuis Marly, á raison van één cent per exemplaar. 

Een andere jeugd-activiteit was het uitgraven van mierennesten. Die nam hij in een zak mee naar huis, bouwde daar van gips een complete woning met kamers en gangen, deponeerde daar de mieren in, legde er een glasplaat overheen en kon dan uren en urenlang de bedrijvigheid van de beestjes gadeslaan.

Hopelijk heeft dit zijn gevoel voor beweeglijkheid op het podium aangescherpt.

Overigens moet Jacques een uitermate deugdzame jongeling geweest zijn, want bij al mijn naspeuringen bleek werkelijk niemand in staat, ook maar de geringste baldadigheid uit zijn jeugd te vermelden. 

Na de Petrus Canisiusschool volgde het Moller Lyceum (HBS-A) en de HTS in Tilburg. In 1961 met succes afgesloten. In 1966 trouwde hij met een vrouw die zijn artistieke aspiraties altijd harte heeft gesteund en hem en zoon en dochter heeft geschonken, die -en dat betreurt hij wel een beetje- zelfs niet met hun kleine teen in het voetspoor van hun naamgever zijn getreden.

Reeds in zijn HBS-periode boeide hem alles wat met toneel en muziek te maken had, hetgeen leidde tot ’n intensieve deelname aan het Mollertoneel.

Later werd literaire routine opgedaan in zijn functie als hoofdredacteur van het destijds populaire studentenblad ‘De Pickwick’. 

Het muzikale theatergebeuren in onze streek bepaalde zich in die jaren tot de kinderoperette van kapelaan Mathijsen. Voor het echte gebeuren moest men bijv. naar de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen, waarvan Jacques al spoedig een frequente bezoeker was.

Dat hij daar van tijd tot tijd wel eens laat van thuis kwam, had niet als voor de hand liggende reden de fameuze Belgische pint in het Pied de boeuf-staminé, maar het feit dat Jacques regelmatig en soms langdurig op zoek moest naar z’n auto, omdat hij niet meer wist waar hij die gelaten had. Zelfs is het een keer gebeurd, dat hij in uiterste paniek vrouwlief gebeld heeft om spoorslags naar Antwerpen te komen om mee te helpen zoeken. Toen was hij snel gevonden: in de eerste zijstraat om de hoek.

Ook Amsterdam en vooral Londen zijn –nog steeds- plaatsen waar hij bij voorkeur zijn vakanties doorbrengt, hoofdzakelijk in theaters.

Mede door vader Antoine, toenmalig voorzitter van de B.O.V., ontstond zijn eerste podium-debuut, in de vorm van de Engelse ambassadeur McGrave in de “Csardaz-fürstin”. De vertolking van diens bescheiden 2 zinnen tekst bleek zo’n indruk te hebben gemaakt, dat hem steeds grotere rollen werden toebedeeld, waarvan zijn komische interpretaties langzamerhand visitekaartjes van de BOV werden. 

In 1966 in “Die Vögelhandler” was het niet alleen tekst declameren, maar hoorde men hem ook voor het eerst zingen. Als we de reacties van het Brabants Nieuwsblad in de volgende jaren lezen, concludeert de recensent achtereenvolgens:

in 1970 -Gräfin Maritza- dat Jacques manhaftige pogingen aanwendde om te zingen, waarvan de resultaten niet hoopgevend waren;

in 1971 -Maske in Blau- wordt bescheiden edoch veelzeggend vermeld dat Jacques ‘zich waagde aan belcanto’;

in 1972 -Clivia- blijkt hij aspiraties te hebben om de steile weg te beklimmen die naar de top van vocale roem voert. Hoorbaar is het nog niet, maar volgens de verslaggever beginnen zijn mondstanden soms de professioneel aan te doen;

in 1973 -Blume von Hawaï- zingt hij zelfs ’n duet met de gerenommeerde opera-sopraan Ans Philippo. Volgens de recensent krijgt ze daar jarenlang spijt van;

tenslotte in 1977 -De Graf von Luxemburg- lezen wij: wat zijn zingen aangaat, moet ik helaas constateren dat het niets vooruitgegaan is. De stille hoop die ik gekoesterd heb, dat hij eens zou uitgroeien tot een zwoele bariton, die wellicht als solist in de Scala van Milaan of de Metropolitan in New York furore zou maken, moet ik helaas laten varen.

Was de recensent teleurgesteld in de vocale kwaliteit van Jacques, hijzelf ging zich steeds meer ergeren aan de versleten vertalingen van de meestal Duitse operettes, die allerbelabbertst waren en gespeend van elke humor. Daar moest meer van te maken zijn.

Al in 1959 werd met Maske in Blau een eerste voorzichtige poging ondernomen om het libretto in ’n wat eigentijds jasje te steken. De kwaliteit hiervan was dusdanig, dat het auteursbureau Allure onmiddellijk de vertaling en bewerking autoriseerde. Van het een kwam het ander. Er bleek een grote behoefte te bestaan aan ’n duchtig stof-afblazen van krakende libretto’s, waarin –zoals Jacques het ongeveer verwoordde- halfzachte prins-tenoren slaapverwekkende dialogen hielden met fluks-bezwijmende gravin-sopranen, afgewisseld door ’n wat frivoler stel, dat ’n tekst in de mond gelegd kreeg, waarin krampachtig pogingen gedaan werden, om côute-que-côute geestig te zijn.

Het succes van Maske in Blau vroeg om meer. Zo volgden: “Eine Nacht in Venedig”, “Die Fledermaus”, de inmiddels vooral in Nederland en Vlaanderen opgevoerde musical-operette “Keine Zeit für die Liebe”, “Cochabamba”, “Blume von Hawaï” en “Graf von Luxemburg”.

Intussen genoot tussen 1961 en 1977 het publiek volop van zijn komisch acteer-talent in o.a. “Zirkusprinsessin, Saison in Salzburg, Eine Nacht in Venedig, Keine Zeit für die Liebe, Vögelhändler, Lustige Witwe, Gräfin Maritza, Maske in Blau, Blume von Hawaï, Graf von Luxemburg”, allen op eminente wijze vertaald en bewerkt door Jacques.

Dat is, zoals onze zuiderburen dat noemen, waarachtig geen klein bier !

Als ik die operette-namen zo’n beetje achter elkaar zet, zou ik Jacques misschien ’n idee kunnen aanreiken voor ’n nieuw te schrijven libretto, waarin die Zirkusprinzessin in het Saison in Salzburg was. Daar zag zij Gräfin Maritza, die een Maske in Blau ophad en de Graf von Luxemburg, die haar ’n Blume von Hawaï had gegeven, samen met der Vögelhändler, die met Die Lustige Witwe eine Nacht in Venedig was, maar ze hadden Keine Zeit für die Liebe.

Of dit nieuw libretto er zal komen weet ik niet, maar hij kan het wel ! Dat bleek al in 1976, als hij het libretto van Frau Luna niet vertaalde of bewerkte maar ’n geheel nieuwe tekst schreef, eigentijds met ’n knipoogje naar de ruimtevaart. 

In 1978 volgt hij de Belgische regisseur Gabriël van Landeghem op de bij de BOV voor de -weer door hemzelf bewerkte operette “Victoria und ihr Husar”. Dit debuut was dusdanig, dat de functie werd gecontinueerd.

Zijn kwaliteiten als regisseur en tekstbewerker bleven ook over de grens niet onopgemerkt. De Vlaamse Kameropera vraagt hem de operette “Der Vetter aus Dingsda” voor het seizoen 79/80 te regisseren. En de Kon. Vlaamse Opera geeft hem ’n opdracht -als eerste Nederlander- ’n tweetal operettes van Emmerich Kalman voor de seizoenen 80/81 en 81/82 te vertalen, nl. Czardas-fürstin en Gräfin Maritza. Ze kregen ’n zestigtal voorstellingen in Gent, Antwerpen en Brussel. De Brabantse musical-groep BOEMS engageert hem in 1986 als regisseur voor Frau Luna. Zijn werk wordt dermate gewaardeerd, dat de band blijft bestaan, want in de daaropvolgende jaren vertaalt en regisseert hij voor BOEMS: Bye Bye Birdie, Payama Game, Hello Dolly en Mame, allen Nederlandse premières, opgevoerd in de Stadsschouwburg in Tilburg.

In 1982 doet hij in Oss zijn debuut als opera-regisseur met de opera “Martha”van Von Flotow, in 1984 gevolgd door de negeropera “Tremoniska”van Scot Joplin. 

Ook de Bredase Baronie-operette weet hem te vinden voor de regie van Der Bettelstudent (84), Vögelhändler (85), Lustige Witwe (86) en Gräfin Maritza (87), alsmede de Groot-Bredase Revue, waar hij, beginnende in 1987, inmiddels de 4e versie van afgeleverd heeft. 

Bij al deze activiteiten maakt hij dankbaar gebruik van zijn inmiddels kwalitatieve en geroutineerde eigen kweek in de BOV, door ze bij de buitensteedse productieteams in te passen.

Zelfs de verantwoordelijken voor decors, grime, geluid en belichting werden er vaak ingezet. Voorwaar een prachtig staaltje van Bergse promotie. 

Na de periode Luxor-theater werd de BOV verkast naar de Stoelemat. De aldaar uiterst povere toneelaccommodatie noopte tot een speciale mise-en-scene, die een extra beroep deed op de creativiteit van de regisseur in Im Weissen Rössl (82), La Vie Parisienne (84), der Bettelstudent (85) en Keize Zeit für die Liebe (86), die allen een aangepaste enscenering noodzaakten en die van Jacques ook kregen. 

1987 Was het jaar van Bergen op Zoom 700, waarvan iedereen zich het daverende “Heerlijk Spektakel”zal herinneren. Het grote succes daarvan was te danken aan de formidabele tekst van een schrijverscollectief, o.l.v. jawel, Jacques de Groot, maar vooral aan zijn meesterlijke regie boordevol van originele vondsten.

Hij trok er niet minder dan 7000 bezoekers mee.

Het vervolg werd het “Mirakels Spektakel”, opgevoerd t.g.v. de opening van de nieuwe schouwburg “De Maagd”|. Wederom een knap stuk werk, dat nóg meer publiek trok. 

En Jacques gaat onvermoeid voort. In 1992 regisseert bij “Payama Game” voor de BOV en voor Tilburg. En daarnaast is hij nog driftig actief als tekstschrijver van de cabaretgroep “Facet”, die deze presentatie opluistert met uitsluitend creaties van hier. 

En aan deze schitterende staat van dienst, getuigend van onmisbaar en uniek talent, komt, om met de heer Bommel te spreken, het einde nog lang niet in zicht.

Dit alles overwegende, de knappe vertalingen en bewerkingen, maat vooral de hoogstaande, alom geroemde kwaliteit van originele, volkomen nieuwe libretto’s en daarnaast zijn uitzonderlijk vakmanschap als regisseur van operettes en opera’s, kon de jury niet anders dan tot de conclusie komen dat hier sprake is van een uniek persoon, wiens werk een toonbeeld is van bruisende creativiteit, van absolute hoogwaardige kwaliteit, van iemand die de moed, de originaliteit en de kundigheid bezit, met zijn waarlijk exceptioneel schrijf- en regisseurstalent het nagenoeg versleten operette-repertoire weer het niveau te geven waarop het historisch recht heeft.

Daarvoor aan hem dit jaar de prijs.


Namens de jury                                   Namens Sakko b.v.

Harrie Stalpers, voorzitter.           W. van de Boom, directeur