De Sakko-prijs voor Kunsten en Letteren 1994 is toegekend aan

Stichting ‘In den Scharminckel’

1
2
3
4
1/4 
   

 

vanwege haar onbaatzuchtige en bevlogen pogingen het rijke bodemarchief van onze oude stad op te graven, te restaureren, te bestuderen en ten toon te stellen. Met het minimum aan middelen en het maximum aan inzet heeft zij een uitermate omvangrijke en waardevolle collectie van 5 eeuwen gerenommeerde Bergse pottenbakkerscultuur opgedolven, en talrijke markante ontdekkingen gedaan aangaande alle bebouwing van Bergen op Zoom in vroeger eeuwen, en van de levensomstandigheden van haar bevolking in die tijden. Hiermede levert zij een belangrijke bijdrage aan de kennis van de interessante en roemruchte geschiedenis van onze goede stad.

Bergen op Zoom 12 november 1994

Toespraak Stichting ‘In den Scharminckel’:

Geachte Heer de Burgemeester, Heer de Wethouder, Bestuur, familie, vrienden en belangstellenden van de prijswinnaar.

Ik sta hier voor u, als voorzitter van de jury van de Sakkoprijs voor Kunsten en Letteren, -tot op heden nog steeds de enige cultuurprijs, die onze toch zo culturele stad kent- om de keuze van de prijswinnaar van dit jaar te motiveren.

Na rijp beraad heeft de jury met algemene stemmen besloten de Sakkoprijs 1994 –dat is de 14de in rij- toe te kennen aan de Stichting In den Scherminckel te Bergen op Zoom wegens haar grote verdienste voor de stad, door haar bevlogen activiteiten betreffende bodemarchiefonderzoek, teneinde het verborgen culturele erfgoed van onze oude stad te waarborgen.

De naam In den Scherminckel is ontleend aan het pand Lievevrouwenstraat 45, in het begin van de 16e eeuw gebouwd, waarin de archeologische werkgroep sinds 1965 onderdak gevonden heeft. Het gebruik van het pand ging in ruil voor ’n doos sigaren ad f 12,50 rond de Kerstdagen, voor de eigenaar Asselbergs IJzerhandel.

Een scherminckel is volgens het woordenboek ‘n lang broodmager persoon. Dat ‘lang’ is in dit geval bijna 3 decennia, het mager kan gezien worden als de nagenoeg permanent hongerende toestand van de clubkas. Jarenlang kostte het de grootste moeite, het hoofd boven water te houden. Geen sinecure, als je met je hersenen onder de grond zit. Dankzij acties en goede gevers is hierin de laatste tijd verbetering gekomen.

In de na-oorlogse jaren was de bodem in de binnenstad van Bergen op Zoom grondig omgewoeld, als de aanwezige bebouwing moest wijken voor herstructurering en nieuwbouw. Te vaak werd bodemonderzoek, hetgeen immers belangrijke informatie kan verschaffen aangaande leven en werken van Bergenaren in de vroegere eeuwen, verwaarloosd. Het is echter een éénmalige kans. Immers, na bebouwing blijft het bodemarchief ter plaatse voorgoed verborgen. We denken hierbij aan het Gertrudisputje en het kasteel van Borgvliet.

De Rijksdienst voor oudheidkundig bodemonderzoek heeft in de jaren 77-79 nagegaan in welke mate het bodemarchief in Nederlandse steden werd bedreigd. De toestand bleek over het algemeen weinig rooskleurig. Bergen op Zoom werd het predicaat “zorgwekkend” toegekend.

Toch namen reeds in 1964 enkele enthousiastelingen de schop ter hand toen achter de Grote Kerk door tuinarchitect Hendrik Jan van Koolwijk ’n nieuwe Thaliatuin werd gecreëerd. Het waren leerlingen van het Mollerlyceum, onder aanvoering van Fons Gieles, hun toenmalige tekenleraar. De ontdekkingen waren zeer interessant, o.a. ’n tegelvloer, ’n gewelffragment van een open haard en 15e eeuwse funderingen van oude muren. Later kwamen nog naar boven een kamstreekornament van vóór 1425, een hellebaard, aardewerk potten van Bergse makelij, een 16e eeuwse handgesmede sleutel, Franse en Spaanse munten o.a. uit het Karolingische tijdperk en pijpen uit ca. 1625. Verslag van de opgravingen werd neergelegd in een boekje “10 kuub Thalia”, wat eigenlijk wel 50 kuub had moeten zijn. Het werd met enthousiasme ontvangen door de Provinciale Bibliotheek in Den Bosch.

En zo is ’t gekomen. Aangemoedigd door dit succes staken enkele aardwormen de koppen bij elkaar en richtten in 1965 ’n werkgroep van amateur-archeologen op. De contributie werd bepaald op f 5,--, dewelke vaak werd voldaan door het inleveren van lege bierflesjes.

In 1971 werd de werkgroep omgevormd tot Stichting In den Scherminckel. De plaatselijke archieven van vóór 1400 zijn grotendeels verloren gegaan bij de verschillende stadsbranden. Mede door de Stichting is inzicht gekregen in bijv. de Bergse pottenbakkersnijverheid van ca. 1450 tot laat in de 19e eeuw. De producten waren befaamd in binnen- en buitenland. Ze werden geëxporteerd naar Engeland, de Scandinavische landen, de Oostzeelanden en West Indië, een overduidelijk bewijs van de hoogstaande vakkundigheid van de Bergse pottenbakkers.

In de beginjaren van de Stichting bestond de club uit enthousiastelingen die naast de belangstelling voor het innerlijk van de bodem, ook hun eigen innerlijk wisten te verzorgen. Zo werd de animo voor opgravingen in het pottebakkerskwartiertje in sterke mate beïnvloed door de aanwezigheid van ’n hoeveelheid nabijgelegen cafe’s als Het Dobbertje, Tante Door, De Blauwe Schuit en Blonde Mien. Kennelijk heeft het opgraven van kruiken aanzienlijk bijgedragen tot opwekking van onweerstaanbare dorstgevoelens. Ook de volgens werkroosters aanmerkelijk lange rustpauzes wijzen in die richting.

Waren de opgravingen een succes, de kas-positie was een voortdurende zorg.

Het financieel verslag 1972 vermeldt een bedrag van f 121,51 aan geldmiddelen. Via vrijwillige bijdragen van bestuurders, gemeente-subsidie en enkele donaties, en na aftrek van kosten voor noodzakelijke aanschaffingen werd dit boekjaar afgesloten met een batig saldo van f 156,20, hetgeen, zo vermeldt het verslag, “een verbetering van onze financiële positie inhoudt”, met zegge f 34,69. Regelmatig moest de toenmalige voorzitter Kees van Es de leden aansporen hun contributie te betalen.

In de 70er jaren zocht met niet alleen in de grond, men ging ook hogerop. De bestuursvergaderingen vonden toen n.l. plaats in Den Engel, een brasserie op de Meir in Antwerpen. Daar moet intensief vergaderd zijn. Men kwam pas vroeg in de morgen thuis.

Werd het nuttige dan wel met het aangename verenigd, de vondsten, vaak in uiterste koude en in plensregen uitgevoerd, waren buitengewoon talrijk. Toen al meer dan 1000 ! Dat gaf veel werk, wat in vrije tijd gedaan moest worden. Alles moest eerst gewassen worden, bestudeerd, gecatalogiseerd en opgeborgen. Men wist er op den duur geen blijf meer mee. Gelukkig kreeg men in 1975 van de gemeente de 1e en 2e verdieping van de Gevangenpoort als werk- en opslagruimte.

De volgende jaren waren moeilijk. De behuizing in de Poort was slecht, koud en niet te verwarmen, gebrek aan accommodatie voor de werkzaamheden, financiële zorgen enz. Maar de Phoenix verrees uit zijn as.

In 1976 krijgt de Stichting een éénmalige subsidie van de gemeente. De stadswandeling trekt ruim 500 bezoekers in de Gevangenpoort. Opgravingen in de kelders van de Scherminckel leveren meer dan 100 merendeels zeer fraaie voorwerpen op. Ook in de polders van Borgvliet, Langeweg (in de stromende regen), St. Annastraat en St. Catharinaplein (St. Jacobskapel) is men zeer succesvol.

Eind jaren 70 zat men met een grote hoeveelheid pottenbakkersafval. Die werd gedumpt op een stortplaats in Tholen. Wie weet, komt men ooit tot de conclusie dat ook daar een bloeiende pottenbakkersnijverheid heeft bestaan !

De Braderie 1977 wordt een ongekend financieel succes. Er worden 103 boekjes en 234 prenten verkocht. Batig saldo f 1500,00.

De stichting bruist van activiteiten en krijgt bekendheid tot over de stadsgrenzen. De haast professionele aanpak en de goed verzorgde publicaties en jaarverslagen resulteren in 1978 in het verkrijgen van de Cultuurprijs van de Provincie en een bedrag van f 2500,--.

Ondanks dat blijft de financiële positie zorgelijk. De hoge huur en de noodzakelijk grote stookkosten in de eigenlijk niet te verwarmen Gevangenpoort, nodig om de verzameling in conditie te houden, zijn daar hoofdzakelijk debet aan. Vraag aan de leden: Is uw schoonmoeder al donateur ?

Intussen gaan de opgravings activiteiten in hoog tempo voort.

Toestemming om te mogen graven gaat niet altijd van een leien dakje. Zo vermelden de notulen in 1980, dat voor het opgravingsplan St. Catharina – ik citeer: “Louis (dat is de voorzitter) nog steeds achter Moeder Overste aanzit” en vervolgens: “ze blijft ongrijpbaar” .

Het grootste financiële en o zo welkome succes wordt geboekt op de Braderie van 1980 met de ludieke actie van het zgn. Gertrudis Bronwater, in wezen gewoon leidingwater met een beetje koolzuur. Het ludieke ervan werd op het etiket vermeld met de eerlijke bekentenis: Geflest door de Stichting in den Scherminckel (letterlijk en figuurlijk).

Bij deze actie is nóg een activiteit vermeldenswaardig. Reeds meerdere malen had een bestuurslid van de Stichting de belofte gedaan bij de bijzondere Aktie best in een harnas in de stad te willen lopen. Dit was dé gelegenheid. Dus werd in Antwerpen voor f 67,50 zo’n ijzeren pak gehuurd en de man aan zijn belofte herinnerd. En zo gezegd zo gedaan. Het viel echter al snel op, dat hij zo voorzichtig liep. Bij navraag bleek dat het pak, ondanks de beperkte lengte van ’s mans onderdanen, hem te strak in het kruis zak. Mijn inziens is hier sprake van de laatste kruisridder.

De actie was overigens een overweldigend succes en sloot met een batig saldo van niet minder dan f 3000,-- !

De reeds jarenlang gewenste inventaris opmaking vond plaats door mevr. Mia Stalpers.

Er volgden zeer vruchtbare jaren, wat bodemvondsten betrof, verspreid over de gehele binnenstad.

De veiling in 1987 van de zgn. “Bergse Schatten” in hotel De Draak werd uitermate druk bezocht en de Nationale Monumentendag bracht meer dan 1000 bezoekers in de Gevangenpoort.

In 1988 werd mondeling toestemming verkregen om te mogen graven in de Dubbelstraat, n.a.v. een verbouwing aldaar. De sloper was nauwelijks vertrokken of de bulldozer van de aannemer gooide de kuil weer bijna dicht. Gevolg: geen opgravingen. Edoch: God straft meteen: des aannemers bulldozer was dermate tekeer gegaan dat het naast de bouwput gelegen café gedeeltelijk instortte.

De bestaande tentoonstellingsruimte in de Poort was intussen veel te klein geworden voor een Bergs Keramiekmuseum.

Intussen werden de fundamenten van de St. Maartenskapel naast het Gouvernementshuis blootgelegd en later bovengronds opgemetseld. Ter plaatse werden vele skeletten gevonden, waaronder opvallend veel kinderen. Van de opgravingen werd verslag gedaan in een boekje “Te gast bij Sint Maarten”. Daarnaast zijn in de loop der jaren talrijke publicaties uitgegeven, naast andere activiteiten zoals: lezingen, rondleidingen voor scholen, uitleen (n.b. aan o.a. het Centraal Museum te Utrecht en aan Boijmans-van Beuningen !) open dagen, foto’s van vondsten enz.

Al met al een indrukwekkende lijst van belangeloos door de leden verrichtte werkzaamheden, met voor Bergen op Zoom uitzonderlijk belangrijke archeologische vondsten, waarvan de waarde ettelijke 10.000den guldens beloopt. En dit alles in eigen vrije tijd en vaak in barre weersomstandigheden met zeer vermoeiend graafwerk en primitief gereedschap verricht.

Hoeveel waardevol historisch materiaal zou zonder hen nooit het daglicht hebben gezien. Wat zou zonder hen een brok hoogst belangrijke geschiedenis van Bergen op Zoom nooit aan het licht gekomen zijn !

Als bekroning van haar inspanningen is kortelings een reeds jarenlang gekoesterde wens van de Stichting in vervulling gegaan, namelijk het lofwaardig besluit van de gemeente om –althans voorlopig voor een jaar- een professionele gemeentelijke archeoloog aan te stellen, en hiermede het belang van onderzoek naar bodemarchief te erkennen en te stimuleren.

De eerste spectaculaire resultaten bij opgravingen op het terrein van de vroegere Jac Hermans supermarkt rechtvaardigen en belonen het besluit van de gemeente en het streven van de Stichting.

Gezien haar grote verdiensten van jarenlang bijzonder gemotiveerd en enthousiast bodemonderzoek, vaak –en zeker aanvankelijk- tegen de stroom in, maar met een gedrevenheid, een niet aflatende vasthoudendheid en een resultaat van amper te schatten waarde voor de geschiedschrijving van Bergen op Zoom en omgeving, is de Stichting In den Scherminckel ons inziens een waardig prijswinnaar, waar onze stad trots op kan zijn.

 Bergen op Zoom, 12 november 1994

De voorzitter van de jury,                         De directeur van Sakko b.v.